Hoi Kees, Toppertje

Hoi Kees,

April 2016. De nieuwe voorjaarscompetitie staat voor de deur. Dat betekent een nieuwe lente met nieuwe kansen voor ons om te bewijzen, dat we het nog steeds niet verleerd zijn. Althans niet wat betreft tennis. Zeker nu het weer om het echie gaat. Dan gaat het erom spannen. Dan moeten we diep gaan. Dan dienen we veel, zo niet alles, uit de kast te halen. Dan worden we geacht tot het gaatje te gaan. De grenzen op te zoeken. (Je merkt, dat ik de sportpagina’s in mijn ochtendblad dagelijks niet oversla). 

Maar we mogen die grenzen niet oversteken. Dat doen we als liefhebbers, zeg maar als amateurs, natuurlijk niet. Wij koesteren onze tradities en blijven de oude olympische gedachte - ‘deelnemen is belangrijker dan winnen’ - vol verve hoog in het vaandel houden. (Daar heb je die vervloekte sportpagina’s weer). Waarom zouden wij ons spiegelen aan de 21ste-eeuwse kunstjes van sommigen die van tennis hun beroep hebben gemaakt? Dat deftige wereldje van weleer, dat ooit elitaire, redelijk kakkineuze heen-en-weerspelletje met racket en bal, heeft al tijden zijn maagdelijk witte kledij ver van zich afgeworpen. En zichzelve in een uiterst kwalijk daglicht gesteld. Wie denkt dat louche figuren alleen in het professionele voetbal de kans krijgen illegaal geld binnen te slepen via het beïnvloeden van wedstrijden, heeft de laatste tijd niet zo goed opgelet. Matchfixing gebeurt tegenwoordig eveneens in onze sport, ook in Nederland.

Gokken op topniveau schijnt ook al een niet weg te denken tijdverdrijf te zijn. Waar Havelter tennissers zich tot voor een aantal jaren terug nogal eens wilden verpozen met een potje kantineklaverjas - sommigen vinden dat inmiddels ietwat te vulgair en bekwamen zich in het edele bridgespel - daar is in het topcircuit pokeren een ingeburgerd tijdverdrijf. Waar dat toe kan leiden? Dat zou je eens aan Koen Everink moeten vragen, ware het niet, dat hij daar geen antwoord meer op kan geven. Die man, die enkele jaren terug een minder prettig verlopen onderonsje met Badr Hari had, liep in het toptenniscircuit op een gegeven moment de coach van vaderlandse troef Robin Haase tegen het lijf. Die  coach dacht zich wel in dat pokerwereldje te kunnen handhaven en deed volop mee. Helaas, de schulden groeiden hem kennelijk boven het hoofd. Hij wordt er nu van verdacht tijdens of na een feestje bij Everink thuis zijn makker te hebben omgebracht.

Ik wil je niet bang maken, zo dat iemand ooit zou lukken. Ik hou me, voor zolang het duurt,  wel gewoon staande in onze eigen inmiddels vertrouwde, wellicht wat kneuterige Drentse tennisomgeving. Als dat niet lukt, dan lukt het ongetwijfeld nergens in Nederland. Want wat blijkt uit een onderzoek van de KNLTB? Dat in deze contreien de gemiddelde speelsterkte van de competitiedeelnemers met afstand het laagste is van alle Nederlandse districten! Dus als je iemand in jouw naaste omgeving tegenkomt die vol trots meldt dat-ie in bloedvorm is of zojuist een wereldpartij heeft gespeeld, dan kun je met deze informatie deze prestatie inmiddels iets beter in perspectief plaatsen. En kun je hem of haar op de jou op het lijf geschreven fijnzinnige manier verwijzen naar die cijfertjes. Bijvoorbeeld tijdens een onderonsje in de derde helft van een vrijdagse competitiewedstrijd of donderdagse ‘trainingssessie’.

Nu ik het toch over de kantine heb - inmiddels door enkelen omgedoopt in clubhuis - schiet mij ineens een opmerkelijke verandering mijnerzijds te binnen. Wereldse mensen, althans zij die in een randstedelijke plaats zijn grootgebracht - en ik ben zo vrij mij daartoe te rekenen - drinken gewoontegetrouw, bijna traditioneel, een pilsje van een van de ‘grotere’ merken. Dit in tegenstelling tot zeg maar lokalo’s, die Brand naar binnen werken, of Grolsch, Dommelsch, Bavaria, of desnoods Jopenbier. Maar ik ben sinds twee weken helemaal om. Overgestapt van het vertrouwde flesje Heineken in het HTC-clubhuis naar Hertog Jan. Op het eerste oog een merkwaardige switch. Immers Hertog Jan, gebrouwen in het Limburgse Arcen, dat kan toch niet veel bijzonders zijn? Een bier, vernoemd naar hertog Jan I, die in de dertiende eeuw leefde en zich vooral onderscheidde als bierdrinkend feestnummer. Dat is mijn pakkie an niet, is lange tijd mijn idee geweest, temeer daar Jan I ook nog eens geen echte Limburger blijkt te zijn geweest, maar een Brabo.

Ik dacht laatst na een minder geslaagd optreden van de Raggers ‘ach laat ik mijn principes voor één keer ’ns varen, me coöperatief ten opzichte van mijn tennismaten opstellen en gezellig met hen een HJ-tje meedrinken’. Dat viel warempel niet tegen. Eerlijk gezegd was het mij eigenlijk op het lijf geschreven, zeker nu ik de (ronkende) tekst op het etiket nog eens goed bekijk: natuurzuiver. Sterker nog, ik vond en vind het zelfs heel lekker. Een toppertje, welk kwalificatiewoord onze Darper Raggersmaat geregeld in de mond neemt. Maar dat is natuurlijk logisch. Want wie blijkt verantwoordelijk voor dit zalige bier, zoals op die flesjes in onze kantine in prachtige krulletters staat gedrukt? Het zal je wellicht verbazen: Meesterbrouwer Gerard.

Groeten, Gerard.

Hoi Kees, dag Gerard Overzicht